Einum (2012/E-boek)

(ook verkrijgbaar in het Fries)

Liever betalen met iDeal? Ga dan naar Kobo.

In het diepe zuiden van Canada kiest een vogeltje het luchtruim om via IJsland en de Schotse kusten te beginnen aan de oversteek naar Europa. Tegelijkertijd wordt er bij een woningstichting in het noorden van Nederland een brief opgesteld.

Balancerend op het snijvlak tussen land en zee ligt Einum, een nietig buurtschap temidden van zich eindeloos voortbordurende bouwlanden, met op de achtergrond een zich in snel tempo uitbreidend havengebied. In een achttiental miniaturen wordt het leven van de schaarse inwoners geschetst: een kunstenaar die op jacht is naar de overgang van licht naar donker, een dementerende vrouw, een meisje dat de liefde van haar leven ontdekt, een boer op zoek naar de meesteres die hij zijn hele leven heeft moeten missen, een tweeling op leeftijd die een door het rookverbod getroffen cafeetje nieuw leven probeert in te blazen.

Gaandeweg vloeien al die levens in elkaar over en dan is daar opeens die brief.
En valt er een vogeltje uit de lucht…
 

Prijs:€4,95
Art.nr. einum-nl

Bladzijde uit het boek

Ze kleedt zich uit en trekt het lakjurkje aan, als een koude hand vormt het leer zich naar haar lijf, een goed lijf, nog steeds, het handhaaft zich ondanks de last van de jaren, de rits kan helemaal naar beneden maar het meest sexy is een plekje vlak beneden haar navel, kwestie van ervaring, daarna maakt ze zich zorgvuldig en een beetje te zwaar op waarbij ze de bijtwond op haar bovenlip zo goed mogelijk camoufleert.
Terug van weggeweest.
En dan denkt ze aan oom Rindert, aan de manier waarop hij naar haar keek toen ze met Roan bij hem op visite was, ze herkent de blikken van zulke kerels, vroom in de kerk, geld zat, de zielige weduwnaar uithangend en intussen loeren naar elke loslopende vrouw, ze veracht mannen die voor hun gerief op zoek zijn naar een meesteres, die gedachte motiveert haar, een vertrouwde woede neemt haar op en stuwt haar voort, naar de overloop en daar staat Jop.
Lodderige blik, misschien ook verbazing, door de ochtendschemer heen fluistert hij mamaaa mooi, verlangend spreidt hij zijn armen om opgepakt te worden maar daar wordt hij te zwaar voor, kom maar jongen, fluistert ze, je moet slapen, het is nog geen tijd, strelend leidt ze hem terug naar zijn bed, terug in de zurige stank die nu eenmaal hoort bij jongens van dertien, hij protesteert wanneer ze wil weggaan, nog een knuffel en nu moet mama weg, papa maakt je straks wel wakker, dag schat. Eerst nog iets warms aantrekken, de spijkerbroek past zo niet, dan maar die jurk met blauwe strepen, dat is tenminste iets.
Meteen door, gauw de jas aan, tasje mee, sleutel pakken, ze hoekt haar fiets om de scooter heen, de ochtendnevel slaat neer op haar jas om een tiental meters verderop door te dringen tot haar blootliggende huid, ik had toch beter iets anders kunnen aantrekken, o shit, de sleutels van Roan, terug, straks is ze nog te laat ook, ze vliegt naar binnen, hij legt ze altijd in het kozijn, ja daar, opnieuw die eerste meters, Einum ligt verstomd te wachten op de nieuwe dag, auto’s als slapende honden langs de weg. De bermgeit mekkert opmerkelijk fit, die heeft nergens last van, niet van mensen en zeker niet van zichzelf, zo’n beest zit helemaal nergens mee, was ik maar een geit maar liever niet in Einum, ze racet voor de HAMA langs, ook daar geen sterveling te bekennen, wanneer is Wil ook alweer jarig, o ja morgen, niet vergeten.
Op dit tijdstip is de boerderij groot en log, de nok van het dak vloeit over in de hemel erboven, de populieren als dodenwacht, nahijgend zet ze de fiets tegen de zijmuur, zodra ze de deur openduwt begint de schuur te keffen, kaatsende hondenherrie begeleidt haar naar de binnendeur, hou je stomme bek, sist ze en warempel, de zwart-witte druktemaker gehoorzaamt. Piepdeur, mag worden gesmeerd, gespannen kijkt ze naar de slaapkamerdeur waarachter oom ligt te slapen, tenminste, dat hoopt ze maar, niet te lang naar die deur kijken, mensen worden van het minste of geringste wakker maar misschien geldt dat alleen voor haarzelf, mooi dat ik aan de vroege kant ben, dat valt tenminste mee, fris hier trouwens, comfort is op een boerderij ver te zoeken, goddank zijn we niet bij die kerel ingetrokken.
Die kerel.
Over de gang naar de woonkeuken, jakkes, nu is ze nog zenuwachtig ook, daar zet ze eerst water op, dan smeert ze twee boterhammen, een met hagelslag en een met kaas, boertje krijgt ontbijt op bed.
Woedend kookt het water.
Ze doet iets groots en de overtuiging dat dit gaat werken geeft haar moed, het water kookt, haar jas hangt ze over een stoel, de jurk eroverheen, ze ritst de rits en zet het leren masker op, nu is ze een en al huid, de spanning doet haar rillen, daar gaat ze al, als een roofdier op zoek naar een prooi, de handboeien rinkelen zacht.
Ze posteert zich voor de slaapkamerdeur, haalt nog eens diep adem, ferm duwt ze hem open, in het schemerduister draait Rindert zich om, wellustig schiet hij overeind wanneer ze zegt zo oompje, kijk eens wat ik voor je heb, ze verkoopt zich aan de beeldschone wreedheid van de verleiding.