Vanaf zijn favoriete tak (die met de knoest op de juiste plek, waardoor hij zonder weg te glijden tegen de stam kon leunen en tegelijkertijd de jeuk aan zijn gat te lijf gaan) keek Bobo toe hoe middenin de bosvijver beneden hem de liefde werd bedreven.
Eerst had hij in de verte een auto gehoord, een zacht gebrom dat langzaam dichterbij kwam. Daarna hoorde hij stemmen, aanvankelijk een beetje boos en vervolgens lacherig.
Het paar bestond uit een ietwat gezet mannetje en een vrouw met kortgeknipt, donker haar. De vrouw slaakte gilletjes toen het mannetje aan haar kleren begon te sjorren. Ze rende weg en wilde dat hij haar ving, wat prompt gebeurde.
Al die tijd had Bobo vol verbazing toegekeken. Zijn verwondering gold niet het spel zelf, maar de manier waarop.
Hoe verzin je het, dacht hij toen hij zag hoe het mannetje de vrouw van voren nam. Het bevestigde maar weer eens het beeld dat hij van de mens had: een bewonderenswaardig wezen dat geen grens erkende en om die reden was doorgedrongen tot in de verste uithoeken van wat in zijn ogen nog geoorloofd was. Ook de locatie was slim gekozen, vond Bobo. In deze door mensen vergeten uithoek van het bos waren ze veilig. Want zelfs al had hij het gewild, dan nóg was hij niet in staat dat kereltje te verdrijven en de paring over te nemen.
Apen houden nu eenmaal niet van water en zeker niet van een vijver vol.
Sinds hij deze tak met enige regelmaat bezocht was het de eerste keer dat zich hier iets dergelijks afspeelde. Wel had hij verderop in het bos, dichter bij de weg en dan vooral bij de grote parkeerplaats, paartjes gezien, maar die gingen nooit verder dan zoenen, behalve natuurlijk de mannenparen, want die verspilden weinig tijd om te doen wat ze van plan waren. Ook in Happy Zoo had Bobo vaak genoeg verliefde mensen geobserveerd, waarbij hij zich altijd weer verbaasde over de besluiteloosheid van de mannen. Terwijl de vrouwen duidelijk ontvankelijk waren – zijn gevoelige neus liet hem zelden in de steek – beperkten de mannen zich tot zoenen en strelen. Misschien was het de gewoonte kleding te dragen die hen verhinderde de vrouwen meteen te nemen. Nee, dan dwong het mannetje daar beneden hem in de bosvijver meer respect af.
Geboeid staarde Bobo naar de vrouw. Haar borsten welden onder water op als bleke vissen om daarna weg te duiken naar de diepte. Opnieuw en opnieuw, een oneindige herhaling die Bobo deed meewiegen op de tak. Hij werd er vrolijk van en besloot zichzelf te verwennen door nóg langer te kijken. De ritmische beweging van het verstrengelde paar vertaalde zich in een complex patroon van rimpelingen dat zich steeds verder uitbreidde over het wateroppervlak. Gebiologeerd door het spel van licht en schaduw, het gekreun en gehijg, boog hij zich voorover om te zien of de kabbeling in staat was de oever te bereiken, maar jammer, de geilheid van de man schoot tekort waardoor Bobo uiteindelijk teleurgesteld achteroverleunde en zijn aandacht verplaatste naar de kledingstukken die schuin beneden hem op de bosgrond lagen.
Op dat moment gebeurde er iets in het diepste van zijn brein, een vonk die altijd al aanwezig was geweest en nu oversloeg. Was het zijn eerdere gedachte over de betekenis van kleding voor de mens? Plotseling kwam het hem voor dat de behoefte om het lichaam aan het zicht te onttrekken niet bedoeld was als belemmering, maar eerder een essentieel onderdeel van het mens-zijn uitmaakte.
‘Ik kan ze gewoon aantrekken,’ mompelde hij, ‘een mooie kans en niemand die me tegenhoudt.’
Opgewonden door dit inzicht sloeg Bobo een poot om de stam om zich na enkele seconden terug te vinden op de vochtige bodem van het bos dat hem sinds zijn ontsnapping zo gastvrij onderdak bood.
Terwijl achter hem de liefde steeds luidruchtiger werd bedreven probeerde Bobo wijs te worden uit de wirwar van kledingstukken die her en der verspreid een spoor naar de bosvijver vormden. Algauw ontdekte hij de logische volgorde van onder- naar bovenkleding.
Eerst probeerde hij een string aan te trekken, maar hij raakte verstrengeld in de vele mogelijkheden en smeet hem teleurgesteld weg. De beha was al net zo lastig, vooral omdat hij nooit eerder iets dergelijks had gezien. Toch vond hij een in zijn ogen logische oplossing. Met een handige knoop zette hij het ding vast op zijn kop, waarbij de cups perfect over zijn oren vielen. Aangemoedigd door die succeservaring kreeg hij de smaak te pakken en zocht enthousiast enkele kledingstukken van de man bij elkaar.
Het maatkostuum deed zijn naam eer aan. Het jasje viel precies goed over zijn schouders, terwijl ook de pantalon als gegoten zat, al waren de pijpen aan de lange kant. Daar ze zijn voeten geheel bedekten zag hij af van de schoenen, die hem trouwens toch niet hadden gepast.
En daar stond Bobo dan, een beetje onwennig en daardoor ook onzeker. Tegelijkertijd voelde hij diep vanbinnen hoe een warm gevoel zijn borstkas vulde. Eindelijk had hij de mens tot op de huid benaderd, de mens die hem ooit bij zijn moeder had weggeroofd, vernederd tot op het bot en uiteindelijk opgesloten in Happy Zoo, al werd hij daar, dat moest hij toegeven, liefdevol verzorgd en dan met name door Martha.
Zegevierend richtte hij zich op en vulde zijn longen met kruidige boslucht. Terwijl hij op het punt stond eens flink de macho uit te hangen hoorde hij achter zich hoe de man en de vrouw uit de bosvijver klommen. Teleurgesteld bond hij in: dit was niet het juiste moment.
Bobo had genoeg ervaring om te weten wanneer het tijd werd ervandoor te gaan en dat deed hij dan ook. Haastig bewoog hij zich in de richting van het bospad, al viel het niet mee tempo te maken door de inderdaad veel te lange broekspijpen die zich als nappen vastzogen aan het pad. Woedend hield hij in om ze na een moeizame worsteling op te trekken tot zijn knieën. Al na een paar stappen stak het probleem opnieuw de kop op. Teleurgesteld gaf Bobo zijn nederlaag toe en trok hij de broek uit om hem nijdig weg te slingeren. Ongerust achterom kijkend dacht hij na. Natuurlijk kon hij op deze manier niet in de mensenwereld verschijnen, dat begreep hij maar al te goed. Om die reden keerde hij terug naar de plek waar de rest van de kleding lag. Koortsachtig probeerde hij een onderbroek die, naar de geur te oordelen, aan het mannetje toebehoorde. De oplossing beviel hem slecht, hij leek zo helemaal niet meer op de mensen die dagelijks in een niet aflatende stroom aan zijn verblijf voorbij waren getrokken. Toen zag hij nóg een broek, ditmaal van de vrouw. Haastig trok Bobo die aan. Dat het dessin niet paste bij het colbert en ook de vrouwelijke geur hem maar matig beviel mocht de pret niet drukken.
Wat de pret wél drukte was de manier waarop de watervrouw plotseling uit de bosjes tevoorschijn kwam. Had Bobo haar niet gezien dan was hij wel gewaarschuwd door haar gil, een gil die in geen duizend jaar zou worden overtroffen. Bewonderend staarde hij haar aan, zij staarde gehypnotiseerd terug. Ze was groter dan hij had gedacht, bedreigend zelfs. Nogmaals begon ze te gillen, toen had Bobo er genoeg van. Resoluut draaide hij zich om en bewoog zich snel in de richting van het bospaadje.
Al na een paar tellen was hij terug op de plek waar hij eerder was. Hij sprong over de pantalon en was al een paar meter verder toen hij zich bedacht. Snel keerde hij terug en griste de broek weg. Toen hij het kledingstuk over zijn schouder sloeg viel de inhoud van de broekzakken eruit. Dat hoorde niet, alles moest mee, niet alleen de portefeuille maar vooral de sleutels die, zo wist hij uit ervaring, de mens machtiger maakten dan welk levend wezen ook. Opgetogen klemde hij ze in zijn vuist, wat achter hem meteen een scherpe klik veroorzaakte. Van pure schrik liet hij de sleutels vallen om versteend de dodelijke klap af te wachten, maar die kwam niet.
De auto stond namelijk gewoon stil, maar een paar meter bij hem vandaan, een beetje slordig geparkeerd met de voorkant half in een groepje jonge sparren die gewillig doorbogen onder de bumper. Het tafereel leek onschuldig, maar het knipperen van de lampjes stelde hem bepaald niet gerust. Hij had nu eenmaal een dubbel gevoel bij auto’s, daar ze op cruciale momenten in zijn leven waren opgedoken, momenten waaraan hij niet graag terugdacht. Bovendien had hij ze geobserveerd op de snelweg aan de rand van het bos. Dood en verderf zaaiden ze onder de bosbewoners, vooral bij het krieken van de dag, het moment waarop al dat staal als op een afgesproken teken opdook en alles wat op de verlaten weg rondhupte finaal platreed. En toch toonde de auto aan hoe geniaal de mens was. Wie anders was in staat zijn poten te vervangen door wielen en zich al rollend te verplaatsen?
Even wachtte hij af, maar toen hij eenmaal doorhad dat er niets veranderde waagde hij zich aarzelend dichterbij. Toegevend aan zijn nieuwsgierigheid richtte Bobo zich op en gluurde hij naar binnen. Hij legde zijn vingers op de gladde, knalgele carrosserie, streelde de kruk en opende het portier. Terugdeinzend wachtte hij opnieuw af, liet de geur van het interieur op zich inwerken en viel bijna in katzwijm toen hij werd opgenomen in de hemelse zoetheid van een hem overbekende geur. Zijn neus volgend klauterde hij naar binnen om uiteindelijk uit te komen bij een plastic tasje op de achterbank.
De buit bestond in ieder geval uit twee bananen.